HET ONWELRIEKEND VERHAAL VAN WOYZECK IN SCHAARBEEK

José Vandenbroucke heeft het niet van horen zeggen. Hij trok naar onze hoofdstad om er zelf op zoek te gaan naar Woyzeck.

Ofschoon de dokter, en met hem nog heel wat echte Belgen, burgers van dit land, het ongepast vinden, stond Woyzeck bij de uitgang van Bruxelles Nord aan de kant van het Solvayplein, daar waar de bussen hun halte hebben, tegen de muur te pissen. Hij was zwart en groot en zijn plas stroomde overvloedig tussen zijn voeten over de grond. Wat betreft zijn urinewegen was hij zeker gezond. Ik denk dat hij sportschoenen droeg, misschien wel Adidas. Dat weet ik niet zeker want ik durfde hem en het volk waarmee hij als sans-papiers in het voor hen voorziene hol in Bruxelles Nord bivakkeerde niet echt aandachtig bekijken; niet uit angst wel uit schaamte. Toen mijn vrouw en ik door hun stinkend paleis van ellende stapten, zei ze: “Je gaat hier toch geen foto’s maken zeker?” Ook zij vond het beschamend, wel een beetje beangstigend ook. Ze leken mij met een honderdtal te zijn. ‘s Anderendaags stond er in Het Laatste Nieuws een artikel over hen op de voorpagina. Daar was sprake van dreiging en ook van een sanitair blok dat ergens voorzien was en dat ze ‘s avonds eten krijgen en dat ze wel met vierhonderd zijn.

Ik zag hoe Woyzeck, of misschien was zijn naam niet zo, mij aankeek. Hoe en wanneer en van waar hij hier aangespoeld was en wat zijn toekomstdromen zijn, durfde ik hem niet vragen. Ik zag alleen dat ze met velen waren en dat velen van hen over een smartphone beschikken. Misschien hebben sommigen een mes. Een pistool is wellicht te duur. En met een mes kan je brood snijden. Het stonk daar. Dat ze niets anders te doen hadden dan op deze zonnige dag, vroeg in april, daar hoofdzakelijk als sufkoppen op hun kartons en matrassen liggen wachten op Godot kon ik niet begrijpen.

Er is veel wat ik niet begrijp. Dat is vaak pijnlijk. Ik wil alles weten, alles zien, niet in foto’s in de media maar met eigen ogen. In die krant van ‘s anderendaags stonden grote foto’s, onder meer een foto van ‘de externe firma’ die de plekken waar zij in onze hoofdstad vaak plassen dagelijks komt schoonspuiten, met brandslangen met grote krachtige waterstralen. We zagen ook hoe de zwarte madam die het toilet in B Nord uitbaat, toestaat dat zij bij haar hun plastieken waterflessen komen bijvullen, doch hen niet toestaat dat zij zich daar dan ook wassen. Ik denk dat daar gratis plassen ook niet toegestaan wordt. Voor ons was het vijftig cent de man, en de vrouw. Bij chaostoestanden waar veel mensen zonder thuis noch verblijfsvergunning op een hoop gedreven worden, moeten er regels zijn, anders loopt den boel gauw uit de hand. Bij ons ginder in Vlaanderen staat bij de hoek van ons huis een mooie Clematis. Hondenwandelaars houden er vaak stil om er hun beest tegen te laten zeiken. Bah! We moeten er eens een bordje met ‘verboden te plassen’ ophangen. Maar zou Woyzeck dat kunnen of willen lezen? Hij zei trouwens tot de dokter: “Maar dokter, als de natuur dringt…” De dokter had hem gerepliceerd dat een gezond mens in staat is zijn urine op te houden. Een gezonde hond ook.

Mijn vrouw en ik waren die dag wat laat tegen de middag naar het station van Harelbeke gereden, met onze auto. We hebben een klein pensioen, doch het lukt nog altijd om die auto er op na te houden, al eens enen te gaan drinken en met een senioren-reductiebiljet de trein te gebruiken. Onze papieren zijn in orde. Nadat we te Brussel Noord waren uitgestapt liepen we algauw door die grote van de rest van het station afgescheiden ruimte waarvan Kapitein Z beslist had dat ze daar, nadat de dienders van Kapitein Y ze van hun vorig kamp verdreven had, mochten schuilen. Ik wou alles zelf zien. In het Maximiliaanpark zagen we de spelende kinderen, de sportende jongeren, ouders en ouderen op de banken in de zon. De schreeuwers van de hedendaagse politiek hadden hun prentje gekregen, na de grote schoonmaak daar. Delete. Maar nu zaten ‘ze’ in het Noordstation en ze plassen er de boel onder en ze vechten er soms en ze lijken niet altijd ongevaarlijk; en vooral: het stinkt er. Die stank van onmacht. In ons land, in ons leven, in onze welvaart. Dat kunnen we niet hebben. Zoveel chaos en uitzichtloosheid. Zoveel dat stoort. Bouw er een hekken rond, zet er een scherm voor, voer het af. Spoel het door. Geen Woyzeckgeur in onze lucht. In Japanse Zen-tempels is het mooier.

Eén van die kartonslapers zei ons vriendelijk goedendag, in het Frans. Zouden zij weten dat er in België ook Vlaams sprekenden zijn, en dat velen die stinkende boel, die onfortuinlijke gelukszoekers, weg willen en bij discussies zeggen: “Wel pak ze dan mee naar uw huis!” Heden ten dage zijn alle mensen goed geïnformeerd via kranten, radio en tv, sociale media. De stank wordt goed verspreid. En het verhaal van het mes ook. Waarom Woyzeck en de zijnen naar hier, in ons welvaartsland, gekomen zijn? En hoe wij er nu terug vanaf raken?

Ik wou alles zien, dus gingen we naar de Dienst voor Vreemdelingzaken in het Klein Kasteelke in de Negende Linielaan. Daar hangen mooie gekleurde borden die de asielzoekers rondom rond het gebouw naar een ingang achteraan leiden. Daar hangt een bordje dat de diensten slechts werken van 08:45u tot 10u, de vijf werkdagen van de week. Het was half de namiddag. Wij konden er dus niet in, en er was niets te zien. Om die miserieshow mee te maken moet men dus vroeg uit de veren en als asielzoeker geluk hebben om binnen te geraken. Er staan dranghekkens. Wij zijn in een Turks eethuis in de Brabantstraat, waar het gonst van multiculturele bedrijvigheid, iets gaan eten. Daar wordt niet op straat geplast. Daar heersen de wetten van de commercie. En later kwamen we ook voorbij de vitrines met die mooie dames. Weeral verzuimde ik het aandachtig genoeg te kijken, weeral die godverdomde schaamte. Ze zijn nochtans mooi genoeg, zoveel vrouw, zoveel lichaam en zoveel verhaal. En ze zaten daar zomaar te schitteren op een paar meter van mij en mijn vrouw, enkel met dat glas ertussen. Wat is hun verhaal? Hun eer? Hun waarheid? Wie zouden zij zijn in het verhaal dat ze me zouden voorliegen? De zus van Woyzeck of zijn liefje dat hij zo domweg in dolle paniek doodstak, met dat mes? Ook zij zouden mij iets vertellen waar ik kop noch staart zou kunnen aan breien, iets waarvan ik leugen en waarheid nooit zou weten te onderscheiden; zijzelf misschien ook niet meer. De onbegrijpelijke wereld.

Woyzeck en de zijnen hebben, op zoek naar een leefbaarder bestaan, alles achtergelaten. Om hier een nieuwe identiteit te verwerven, een nieuwe toekomst. Doch Woyzeck moest nu tegen de muur op straat plassen en wij vroegen ons af hoe het verder met hem zou verlopen. Misschien zouden ze hem en de zijnen, het ganse miseriespel, wanneer de stank en de schaamte te veel aan één locatie zouden verbonden raken, te duidelijk onze onmacht zou benadrukken, wel weer naar een andere plek verkasten. Wanhopigen verstoren het beeld van onze welstand. Wie vragen heeft over zelfdoding kan bellen naar het nummer 1813.

Toen we terug naar huis kwamen werd het treinverkeer verstoord door iemand die voor de trein was gesprongen. Vanaf Waregem moesten we met een propvolle Lijnbus naar Harelbeke waar onze auto wachtte. Zo kwamen we toch thuis, weliswaar flink later dan voorzien. Thuis was het lekker warm doch ik rilde van de kou. Ik ging proper en schoon in het toilet plassen en mijn vrouw had die morgen het bed mooi open gelegd. Ze is een goede, mooie en zorgzame vrouw. Ik ben gelukkig met haar. Al dacht ik nog even aan die vitrinemadam met haar blauw geschminkte ogen en aan die plasstraal van Woyzeck te Schaarbeek op aarde. Godverdomme.

José Vandenbroucke

De Gazet