De Marianentrog

José Vandenbroucke over het leven halfweg.


Hij had zijn mooie vrouw, zijn mooi gezin, en hun huis met de mooie grote tuin met bomen waarvan sommige ouder waren dan hemzelf verlaten; alles mooi mooi mooi. Om in een huis zonder tuin, waarvan hij de huur amper kon betalen, bij de spoorweg te gaan wonen. De trein denderde op twintig meter van zijn bed voorbij, met een regelmaat waaraan hij ondertussen was gewend. Vrienden hadden hem zo vaak gevraagd naar het waarom, dat hij ze was gaan vermijden, omdat hij geen antwoord had. Ouderdom? Onrust? Libidoverlies? Dat waarover Elsschot schreef in zijn gedicht Het huwelijk?

Het was een soort crisis zoals in de Amerikaanse films of bij psychiaters die ervoor gestudeerd hebben om moeilijke namen te kleven op onnoembare vreugdes en pijn. Hij was de vijftig voorbij of bijna zestig; hem maakte het niets uit: hij was gewoon wie hij was, een sterfelijk mens met een onbevredigbare nood aan aandacht en eenzaamheid; het ene verhinderde het andere.

Hij lag reeds anderhalf uur in bad te weken en had het water in die tijd driemaal laten weglopen en daarna het bad terug met vers warm water aangevuld. Een felle gloed zonlicht schitterde door het groot raam de badkamer binnen. Met het krampachtig zelfbeeld een stuk wrakhout te zijn dat bleek werd, blank en schoon en weerloos, liet hij zich drijven, in al dat water en licht. Alsof hij zou oplossen als ochtendmist na het opkomen van de zon, als zand dat uitwaait in de wind. Hij wou zacht worden, als een foetus veilig in het warm hol van de baarmoeder, terug naar toen hij er nog niet was. Geest en lichaam. Alles deed pijn. Hij dacht aan de Marianentrog in de Grote Oceaan waar de zee elf kilometer diep is. Hoe daar ondanks de immense waterdruk en de duisternis witte transparante beesten zwemmen en garnalen rondkruipen. Hij vroeg zich af of ook daar resten van plastics en ander menselijke afval aanwezig waren.

Hij was die morgen, zoals elke morgen, erg vroeg gaan wandelen. Terwijl het licht ontwaakte had hij, ook zoals elke ochtend, de dode platgereden dieren van de straat opgeraapt en in de graskant, in de natuur waar ze thuishoren, bij wijze van eerbiedige begrafenis neergelegd. Tezelfdertijd had hij even ritueel alle zwerfvuil uit de graskant en de grachten terug de straat op geschopt, pal in het zicht van de weggebruikers, daar waar dat thuishoort: in de mensenwereld. Bij het zevenenvijftigste stuk zwerfvuil, een Jupilerblikje, dat hij de openbare weg op schopte, was een voorbijkomende auto trager gaan rijden. De chauffeur had hem gadegeslagen, zijn beheerste razernij met de smartphone gefotografeerd, en was dan verder gereden. Jupiler, Coca Cola en Redbull zijn de frequentste zwerfvuilitems, maar er liggen dagelijks ook andere blikjes van minder populaire softdrinks en flessen, lege sigarettenpakjes, plastics, enzovoort. Aldus wandelend en zijn ingrepen tellend liet hij op straat een spoor van geëxposeerde mensenvuiligheid achter zich. Een sprekende ‘street’tentoonstelling over de mens.

Bij zijn negenenzestigste zwerfvuilschop van die dag naderde een politiecombi, die dichterbij vertraagde, om vlakbij hem te stoppen. Twee agenten waren uitgestapt en hadden hem verzocht zijn identiteitspapieren te tonen. Ze hadden hem als verstoorder van de openbare orde en vervuiler geverbaliseerd. Hij had niet geprotesteerd, wetend dat zij en hij niet aan dezelfde kant van de logica stonden. Nadat ze hem hadden gezegd dat hij een fikse boete kon verwachten waren ze terug weggereden. Verder zwerfvuil de straat op schoppend en dode dieren oprapend was hij uiteindelijk thuisgekomen. In het huis waar hij nu als een weekdier in zijn bad lag te nietsen.
Hij dacht eraan dat zijn vriendin nog zou langskomen, om bij hem de passie te ervaren die ze de voorbije vijftien jaar huwelijksleven gemist had. Te vroeg getrouwd; minderwaardigheidsgevoelens; nooit vreemdgegaan. Ze zei dat ze openbloeide in zijn begeerte. Dat hij met haar mocht doen wat hij wilde. De heldere klank in haar stem wanneer ze hem dat zei. Haar scherpe heupbeenderen glanzend in het daglicht. Haar prachtig pezig lichaam. Zij kwam meestal langs nadat ze de kinderen naar school had gebracht.

Hij liet nog wat extra warm water lopen. De deur van het huis was weliswaar gesloten doch zij had een sleutel, zodat ze zelfs als hij niet thuis was, in alle vrijheid op zijn bed kon komen liggen, al was het maar om zichzelf te strelen terwijl ze onmogelijke dingen fantaseerde. Misschien moest hij maar een ander slot laten plaatsen. In gedachten schopte hij het zoveelste blikje de straat op. Die pas ontvangen energierekening zou hij ook deze maand amper betaald krijgen. Voor hij alleen was gaan leven had hij nooit geldzorgen gekend. Zijn vriendin stak hem af en toe enkele geldbiljetten toe. Misschien moest hij maar terug bij zijn vrouw gaan wonen; met hangende pootjes. Zijn vrouw wou hem nog. Hij kreeg een erectie. Verwonderd keek hij naar het ding, daar samen met hem in het badwater; paars en hopeloos. Als een kosmische slang uit een mythologisch Inkaverhaal. Beul en terechtgestelde ineen. Just a lot of shit. Dat ze hem allemaal maar met rust lieten!

Hij hoorde het vertrouwd geluid. De trein van 08:15u. Het dichterbij komend gedreun van de engelen der eenzaamheid. Fel bellen blazend liet hij zijn hoofd diep in het troebel zeepwater zakken. Oceanen diep, ver van alles. Als een vulkaan op de bodem van de Marianentrog.

José Vandenbroucke

De Gazet