BREEK MAAR IN

Voor Ne Kersentuin werkt de Unie samen met de Koninklijke Sint-Michielsgilde uit Beveren. Haar artistiek leider Steven Duyck zal de voorstelling regisseren, daarbij gecoacht door Geert Six van de Unie. Joon Bilcke ging met hen in gesprek.

Steven, wat heb jij met theater?

Steven
: “Ik ben als veertienjarige het theater ingerold terwijl ik uit een nest kom dat eigenlijk niets met theater te maken had. Eerst heb ik zelf lang gespeeld bij Mandelgalm in Izegem. In die periode maakte ik ook deel uit van de groep die meedeed aan de zogenaamde ‘zolderprojecten’ van NTGent in het ARCA theater. Maar op een bepaald moment begon ik me meer en meer in regie te interesseren en ben ik gestopt met spelen.
Sindsdien heb ik altijd geregisseerd, bij Mandelgalm maar ook bij het Spiegeltheater in Roeselare, bij theater De Schaduw in Ardooie of bij het door mezelf opgerichte theater Schuurpapier in Izegem. Met mijn eigen toneelgroep BIT, waar ook Bert die meespeelt in Ne Kersentuin deel van uitmaakte, maakten we stukken vanaf nul, nogal experimenteel, telkens rond een bepaald thema. We onderzochten wat we daar als jonge gasten over te vertellen hadden. Samen hebben we een vijftal voorstellingen gemaakt. Ik ben gestopt omdat ik het gevoel had dat ik in die vorm uitverteld was. Na regies bij verschillende gezelschappen ben ik uiteindelijk bij KSMG in Beveren terechtgekomen. Nadat ik er een regie had gedaan vroegen ze me om het gezelschap voor een periode van vijf jaar artistiek in handen te pakken, een visie te ontwikkelen over welke stukken er worden gespeeld, met welke reden, met welke spelers, …
Tussenin regisseer ik ook nog andere projecten zoals de goochelshow van Steven Delaere of de hypnoseshow van Patrick PickArt. Of onlangs voor de stad Nieuwpoort, die de traditie van haar reuzen nieuw leven wilde inblazen met een groot driedaags evenement met straattheater, parades, en dat soort dingen.”

Heb je al eerdere ervaringen met het sociaal-artistieke werk?

Steven
: “Het dichtste dat ik erbij heb gestaan was in Nieuwpoort, denk ik. Die reuzengildes waar ik mee samenwerkte, dat is een heel specifieke wereld waar zo een beetje werd op neergekeken – ‘die reuzendragers’. De uitdaging was om die mensen mee te nemen in een groter verhaal waarin hun cultuur opnieuw werd opgewaardeerd. Met Pat Paniek, een sociaal-artistieke theatergroep in Izegem, werkte ik af en toe samen door hen wat te helpen bij de repetities. Yvette die er regisseert volgde een paar jaar regieopleiding bij mij in de academie. Maar zo intens als ik er nu bij de Unie in word ondergedompeld ben ik er nog niet mee bezig geweest.”

Het sociaal-artistieke theater en het amateurtheater zijn twee specifieke manieren om met ‘theater in de vrije tijd’ aan de slag te gaan. Waar zien jullie gelijkenissen, verschillen?

Geert
: “Er is een groot verschil tussen de doorsnee amateurspeler die goed in het vlees en de portemonnee zit en veel spelers die in het sociaal-artistieke spelen en uit meer kwetsbare contexten komen. Ook zijn amateurspelers het vaak gewoon om op een scene te staan terwijl er in het sociaal-artistieke meer mensen zijn die nog nooit op een podium gestaan hebben, of die veel minder beslagen zijn in teksttheater. Een sociaal-artistiek gezelschap is ook altijd een gezelschap in wording, dat wisselt vaak van bezetting, in tegenstelling tot veel amateurgezelschappen die toch meer gesloten en vaak behoudsgezind zijn. In het amateurveld zou men moeten durven zijnen boel open te trekken, niet alleen om het politiek maatschappelijke repertoire aan te pakken maar ook om de speler binnen te halen die daar nooit op een podium geraakt. Want wat al die spelers gemeen hebben is dat ze op een scene willen staan. Het zijn allemaal liefhebbers van het spel, van de taal, van het theater.”

Steven: “Ik voel dat de insteek van de mensen bij de Unie anders is. Ze hebben ook vaak een heel andere achtergrond, komen uit een wereld die amateurspelers niet kennen, waar ze niet bij stilstaan. Ik vind dit hier dan ook meer en meer een inspirerende plek. Je hoort verhalen die je elders niet hoort, waardoor je anders naar de wereld gaat kijken. Amateurspelers hebben het inderdaad meestal goed, zoals Geert zegt. Het is een wereldje waarin iedereen met zijn auto toekomt en achteraf een wijntje drinkt en babbelt over waar ze straks op weekend gaan… dat zijn de verhalen die je daar hoort, ook bij de mensen achter de toog, in het bestuur, bij diegenen die den decor doen, … Als er zorgen zijn gaat dat vaak om luxeproblemen en pietlulligheden, vergeleken met de verhalen die hier opduiken. Als ik iets oppik hier is het dat we in het amateurtheater inderdaad connecties moeten leggen met andere werelden. Ook al omdat het ons rijker zal maken op het vlak van theater.”

Geert: “Er is een verschil tussen engagement en geëngageerd zijn. Voor sociaal-artistieke spelers is de compagnie waar ze spelen vaak hun enige netwerk. Als ze er niet zijn om te repeteren is er echt wel wat aan de hand. Het engagement dat de echte sociaal-artistieke speler opneemt is haast noodzakelijker dan dat van de amateur, waar het engagement soms meer vrijblijvend is, terwijl het net andersom lijkt. Ik vrees dat het sociaal-artistieke door amateurspelers vaak nog wordt gezien als een zeer mooie, geëngageerde bijkomstigheid van het theatergebeuren. Dat er soms nog op wordt neergekeken.”

Steven: ”Dat is iets waar ik al een paar keer van geschrokken ben. Amateurspelers die zelf in een sociaal-artistiek project staan, daar een hoofdrol krijgen en tegelijk neerbuigend doen over de sociaal-artistieke speler die hen belet om te kunnen schitteren… Je mag dat natuurlijk niet veralgemenen maar je komt dat wel tegen. Daar schrik ik soms van. Zeker als je met zo een manier van theater maken bezig bent, zou je heel goed moeten weten waar het au fond over gaat.”


Hoe komen jullie in jullie verschillende contexten tot kwaliteit op de scene?

Geert
: “Wie ik ben en wat ik wil vertellen heeft altijd het best gematcht met de sociologie van de groep hier. De werelden waarin de Zorgelozen frekwenteren zijn die waar ik zelf ook vandaan kom. De verhalen die je hier hoort, heb ik allemaal gezien in de sociale woonwijk waar ik opgroeide. Daarom stond ik al vroeg open voor het gekwetste, het fragiele, voor diegene die langs de kant stond in het theater in Stasegem en van wie ik wist, die is het interessantst om mee te werken. De artistieke kracht van het werk van de Unie zit hem vooral in die match.”

Steven: “De kwaliteit van je theater hangt erg af van wie er voor staat. Bij veel amateurgroepen gaat het over samenzijn, over toekomen en eentje drinken, een uurtje repeteren en nog eentje drinken. Die samenhorigheid is belangrijk en is ook een goede reden om samen toneel te spelen. Maar als je kwalitatief theater wil brengen heb je een regisseur nodig die een diepgaandere visie heeft op wat die wil vertellen.”

Vanwaar de keuze voor dit stuk van Anton Tsjechov?

Geert
: “We zien het niet altijd omdat grote veranderingen zich beetje per beetje voltrekken – op sommige vlakken zoals het klimaat is dat al heel lang aan de hand – maar we staan op een kruispunt. Er komt een systeemwissel, net zoals die zich voltrok in de tijd dat Tsjechov zijn stuk schreef. Het feodale tijdperk maakte toen plaats voor het opkomend liberalisme. Wel, nu maken wij Ne Kersentuin om te zeggen dat het neoliberale verhaal op haar beurt ten einde adem is. Daarnaast is deze voorstelling is ook een verderzetting van ons traject om het repertoire sociaal-artistieker en eigentijdser te krijgen. Onze insteek is daarbij vooral maatschappelijk en politiek, en bij wijlen ook moralistisch. Dat stoort sommigen, of ze vinden het naïef, maar in deze tijd waarin men het grondwettelijk hof buitenspel wil zetten of aanzetten tot haat niet meer strafbaar wil stellen, kan er niet genoeg moraal gepredikt worden.”

Steven: “In het amateurtheater wordt Tsjechov soms gespeeld – vooral Een Meeuw of Drie Zusters, en ik vermoed vooral omdat dat goed staat op het palmares. Maar dat maakt een stuk van Tsjechov dus ideaal om er bepaalde inhouden binnen te smokkelen. Eerlijk gezegd ben ik altijd benauwd om Tsjechov te spelen in het amateurtheater. Je moet zo ploeteren om alles naar boven te halen. Dat is werken. Daar moet je moeite voor doen, diep genoeg zoeken. Ik heb ooit Een meeuw geregisseerd en ik was daar niet content van omdat ik voelde dat ik er niet had uitgehaald wat erin zat. Toen heb ik gezegd, ik doe nooit van mijn leven nog Tsjechov. Ook die Kersentuin… het is een heel schoon stuk maar ook een klotestuk, vol met valkuilen waar je kan in trappen. Zo bijvoorbeeld schrijft Tsjechov ‘een klucht in vier bedrijven’ maar als je het speelt als klucht sla je natuurlijk de bal mis… het zit zo vernuftig in mekaar. Nu, toen dit voorstel van de Unie kwam voelde ik dat wel als een uitdaging. Ik kende de stukken van Geert en ik geloofde erin dat we dit keer met dit stuk van ‘Anton Six’ misschien Tsjechov wel genoeg zouden kunnen doorgronden.”

Geert, jullie werkten al eerder samen met mensen uit het amateurtheater, zoals in Kasimir en Karolien of Vijand van het volk. Wat vind je belangrijk aan die samenwerkingen?

Geert
: “Los van de vermenging van de mensen van de Unie met de amateurspelers, waarvan je hoopt dat die een interessante spiegel oplevert van de samenleving, wil ik iets betekenen voor hun achterban, hun publiek, dat te weinig geconfronteerd wordt met verhalen van vlees en bloed, of met de politieke of maatschappelijke inhoud van theater.”

En voor Ne Kersentuin geef je de regie uit handen?

Geert
: “Ik vind de sociaal-artistieke taal van de Unie heel belangrijk, op en naast de scene. Stukken schrijven doe ik dan ook nog altijd heel graag, of dat nu repertoirestukken zijn of andere. Maar het is belangrijk dat we die sociaal-artistieke taal de komende jaren ook gaan delen met andere makers door samen met hen aan de slag te gaan, zoals met Steven nu. Daarbij neem ik dan de rol van coach op mij. Al moet ik zeggen dat de regie uit handen geven me soms frustreert. En het is soms nog zoeken hoe ik het best kan coachen. Steven werkt sowieso anders dan ik, maar ik ben ervan overtuigd dat ook zijn manier van werken resultaat zal opleveren.”

Steven: “Ik kan eigenlijk nooit mensen erbij vragen die zo goed als jij en Joon nu weten waarover een stuk gaat. Door samen dat proces van het herwerken van De Kersentuin te doorlopen leer ik zoveel bij. Want je kan het nooit allemaal weten. Ook in de regie werkt Geert zijn kijk inspirerend. Ik moet mijzelf veel meer in vraag stellen, veel meer dan dat ik er alleen voor sta, dat is boeiend. En dat is iets wat in het vrijetijdstheater veel te weinig gebeurt. Daar kiest men vaak voor veiligheid – ‘Blijf uit mijn proces!’. Neen zeg ik, breek maar in, met kennis van zaken, en laat mij maar eens gefrustreerd naar huis gaan. Dat houdt mij scherp. Hier werken is een luxe. De kopzorgen die ik heb zijn luxekopzorgen. Ze kunnen er alleen maar voor zorgen dat het stuk beter wordt.”

interview Joon Bilcke