Geïnspireerd door De Clash bracht Zorgeloze Katrien aka ‘Triene’ Nottebaere vier generaties samen: zijzelf, haar mama Jeanne, haar dochter Lien en haar kleindochter Liede. Waarin verschillen ze ? Wat hebben ze gemeen ? En wat betekent de ene voor de andere ? Zet u schrap voor een reis door de tijd.

Jeanne Forrest is de oudste van het kwartet. Ze werd geboren in 1936 en maakte als kind de oorlogsjaren mee. Daarvan herinnert ze zich niet zo veel meer – “We mochten schuilen in de kelders van het gemeentehuis als ze schoten vanuit Wevelgem naar Lauwe”, dat wel nog. In haar jonge jaren werd er ook niet zo veel meer over de oorlog gesproken. “In bepaalde gezinnen allicht wel. Maar die hadden misschien meer meegemaakt.” Thuis waren ze met vier kinderen. Papa was schrijnwerker. “Hij ging met de fiets naar Tourcoing om te werken. Mijn mama had een kruidenierswinkel in Lauwe. Een filiaal van Batard, een Waalse firma die in Vlaanderen hier en daar een vestiging had. Elke week kwamen camioneurs vanuit de Walen met winkelwaar.” Na de lagere school ging Jeanne op internaat in Pecq. “Terwijl de meeste meisjes van mijn klas gingen werken in een naaiatelier, wat typisch was in die tijd, ging ik Frans en boekhouding leren. We waren maar met een paar die verder studeerden. Twee die leerden voor onderwijzeres, ik boekhouden, de andere weet ik niet meer.”

Heropbouw

Jeanne groeide op in de fifties, de jaren van heropbouw na de oorlog. Hoewel ze zich niet herinnert dat ze ooit veel te kort heeft gehad, waren het nog niet de jaren van het grote materiële comfort. “Wij hadden geen televisie thuis. Er was een café bij ons op de hoek waar ze een televisie hadden. Af en toe gingen de mannen daar kijken. De vrouwen niet. Die bleven thuis.” Ongeloof bij Triene, Lien en Liede. “Een telefoon hadden we ook niet. Maar er was er wel een bij onze buren in het café. Er was geen diepvries en lang ook geen frigo. Voedsel werd bewaard in de kelder. En weinig mensen hadden een auto. Enkel een paar commerçanten en de twee dokters van het dorp. Mijn papa heeft nooit durven rijden en mijn mama was daar niet mee bezig, het was geen mode dat vrouwen autoreden.” Alweer ontstentenis bij de drie andere dames.

Op congé ging het gezin niet. “Ons papa had niet veel verlof, misschien een week of zo, en mama had de winkel. In de grote vakantie waren we thuis en tjoolden we van den een naar den ander. Ik was wel bij de Kajotsters. Daarmee gingen we vaak op stap, gaan varen op de vijver in Zillebeke, of met de fiets naar de zee.”
Triene: “Wij gingen wel op congé. Wij hadden een grote tent en gingen kamperen in Zuid-Frankrijk met kampeergerief dat vake zelf had gemaakt. Ik was toen twaalf, dertien jaar. Later gingen we daar ook met ónze kinderen naartoe.”
Lien: “Als je in de grote vakantie niet op reis ging, was je een dutske. Dan was je waarschijnlijk minder welgesteld. Je moest op kamp met de jeugdbeweging of het ziekenfonds en met je ouders op reis, dan hoorde je erbij.”

Via de jeugdbeweging leerde Jeanne haar man kennen. “Ik was maat met zijn nicht. Op een zondag gingen we samen met de fiets naar de kermis in Aalbeke. Daar stelde ze me voor aan Arsène en Romain. We gingen samen een pintje drinken, en van het een kwam het ander. Romain had ook een oogske op mij, maar Arsène trok aan het langste einde. Ik werkte intussen bij de bank, de Société Générale in Kortrijk. Op een dag stond Arsène me er op te wachten en vroeg, zouden wij ons niet jeunen tegoare ? Zo ben ik in 1958 getrouwd met mijn eerste liefde. Daarna moest ik stoppen met werken van de bank. Dat was toen zo. Getrouwde vrouwen mochten er niet blijven werken.” Voor een derde keer is er consternatie bij Triene, Lien en Liede: “Dat zou nu niet meer mogen !” “Ik heb nog een paar maand besteld in de winkel. Intussen werd ik zwanger van Katrien, en daarna ben ik nooit meer gaan werken. Arsène zorgde voor brood op de plank.”

De nieuwe tijd waaide definitief ten huize Nottebaere-Forrest binnen met de eerste automatische wasmachine. “Die van mijn zus was kapot en ze ging die wegdoen”, vertelt Jeanne. “Arsène zei, breng ze maar naar mij. Hij heeft ze kunnen repareren en zo hadden we onze eerste automatische wasmachine. Daarvoor gebeurde de was uiterst primitief, met een batteur – ne klopper. Verder was alles met de hand te doen. Wij hadden een kot vanachter waar we onze was deden. Arsène had er een furnoois gemetst: een grote kuip in metaal waaronder je vuur kon maken om het water op te warmen. De was vloog daarin. Lichtjes opkoken en weken. ‘s Anderendaags uithalen met een tang, spoelen, wringen, met de hand. Opnieuw wassen, in proper water met zeep. Een hele nacht bleken in de weide. Dan hangen te drogen, in de kelders van het stadhuis bij slecht weer. We hadden drie dagen werk aan de was. Het witgoed, inclusief ondergoed, werd dus maar om de zes weken gewassen. Tussenin wasten we de vlekken uit onze kleren in een bassin.” De wasmachine was een van de eerste van vele uitvindingen die het leven van de mensen zou vergemakkelijken.

Revoluties en veranderingen

In 1959 werd Triene geboren. Een kind van de rebelse jaren. “Mijn generatie was die van de grote revoluties en veranderingen. Alles wat het leven makkelijker maakte heb ik weten opkomen. Toen ik klein was kwamen de messenslijper en de bakker nog aan huis met hun triporteur, net als de melk- en de bierkar. Er bestonden nog geen grootwarenhuizen, er waren bijna geen auto’s. Onze eerste auto, een occasie, kochten mijn ouders samen met nonkel Romain. Ze gebruikten hem om de week. Nu noemt dat ‘autodelen’. (algemeen vermaak) Pas op mijn 18de was er een telefoon. Daarvoor telefoneerden we bij de buren. Ze werkten met twee, ze konden zich dat permitteren. Een gewone werkmens had dat niet. En ik heb de zwart-wit tv weten opkomen, met een antenne, die we moesten verzetten om de sneeuw uit het beeld weg te krijgen.”

“We hadden wel een radio. Daar kon je een paar posten mee pakken, die kraakten en piepten. Een groot cadeau dat ik kreeg toen ik zestien werd, samen met mijn zus, was een cassetterecorder. We namen platen op cassette op bij iemand die een platenspeler had of we namen liedjes op van de radio. Eindelijk konden we onze eigen muziek beluisteren ! Kleinkunst, folk, Franse chansons, muziek die ik leerde kennen in de Chiro en de jeugdclub, die ik thuis niet hoorde. Vernieuwende muziek, met kritische teksten. Het was de nasleep van de sixties. De tijdsgeest was een beetje revolutionair. We gingen protesteren tegen de atoombommen. Die mentaliteit. Ik kon daar ook open over praten met mijn ouders. Ik zat dan ‘s nachts op de rand van hun bed om over de wereldproblemen te babbelen. Er was ook altijd volk bij ons voor van alles en nog wat. Respect voor het anders zijn van mensen en mensen graag zien, dat heb ik geleerd van mijn ouders en zie ik nog bij mijn kinderen en kleinkinderen.”
Lien: “Ik kon dat ook. Ik moest daarvoor niet op bed gaan zitten. (lacht) Ik en mijn vrienden zaten samen met moeke en hààr vrienden rond de keukentafel, of ’s avonds in de tuin. Bij een glas wijn of een pintje speelden we muziek, filosofeerden we, praatten we over het leven. Dat waren twee generaties die daar goed in overeenkwamen. Daar heb ik leren stilstaan en nadenken over de dingen. Ik vond dat leuk om te doen.”
Liede: “Mijn vriendinnen kijken nog altijd raar omdat ik de meest random gesprekken kan hebben met jou. Dingen waarover zij niet spreken met hun mama. Over de liefde. Over je eerste keer.”
Triene: “Tot we trouwden mochten wij niet samen slapen met ons lief. De papa van mijn kinderen was een Limburger. Als hij kwam moest hij op de zolder slapen. Lien haar liefjes mochten wel al op de kamer.”
Lien: “Ja, maar ik lag daar wel samen met mijn twee zussen.”
Triene: “In onze vrije tijd gingen we net als mijn ouders naar de jeugdbeweging en speelden we buiten. Er was nog speelruimte in het dorp en niet veel auto’s.”
Jeanne: “We vonden ze dikwijls niet meer terug ‘s avonds.”
Lien: “Dat hadden wij ook nog. Wij fietsten van huis tot huis om met de vriendinnen te gaan spelen.”
Liede: “Mijn vriendinnen wonen veel te ver, in Kuurne, Sint-Denijs.”
Lien: “Ja, dat is echt anders. Er is ook minder en minder ruimte. De straat waar we woonden heb ik zien volbouwen. En de Dutroux-affaire is heel lang blijven hangen in mijn generatie. Op een bepaald moment mochten vriendinnen van mij niet meer zelf met de fiets naar een fuif, hun ouders kwamen hen ophalen. Of we moesten in groepjes van zes gaan en bij elkaar blijven slapen. Nu ze zelf kinderen hebben zijn ze bang om hen alleen buiten te laten spelen.”

Samson en Gert

Wat doorheen hun generaties ook is weggedeemsterd, is het geloof.
Triene: “Toen we jong waren gingen we elke week naar de mis. Dat was de gewoonte in die tijd.”
Lien: “Toen ik klein was ging ik nog mee. Ik herinner me dat er om negen uur Samson en Gert was op tv, maar we zagen nooit het einde want we vertrokken om tien voor tien naar de kerk. We zijn ook allemaal misdienaar geweest. En met de Chiro gingen we naar de kerk bij speciale gelegenheden. Dat is helemaal weg. Ik heb dat niet meer doorgegeven.”
Liede: “Ik ben nog maar een paar keer in een kerk geweest. Bij mijn doop, mijn communie en een paar begrafenissen. En in Spanje, toen ik naar Compostella heb gewandeld.”

Triene: “Wat wij thuis ook deden, was groenten zelf kweken en inmaken in bokalen.”
Lien: “Dat is nu weer hip. Ik doe dat al efkes, maar mijn generatie mama’s, die dat zien in de kookboeken van die hippe koks, doen dat nu ook. Ook een groentetuin komt weer op, het is hip om je eigen groenten te hebben.”
Triene: “In onze tijd was dat uit noodzaak. Mensen waren veel op zichzelf aangewezen. We slachtten ook zelf kippen en konijnen. Mama maakte onze kleren zelf en we gooiden bijna nooit iets weg. Vake kon bijna alles repareren. Er waren wel al warenhuizen, maar we konden niet zomaar alles kopen wat we wilden. We moesten spaarzaam zijn. Dat heb ik geërfd en proberen door te geven.”
Lien
: “Ik probeer nog altijd zo veel mogelijk om iets te maken voor ik het weggooi. Ik heb dat meegekregen van jou, maar verder doorgeven lukt niet. Liedes generatie zal niet zelf zitten rommelen als hun fiets kapot is. Wat kapot is wordt nieuw besteld op internet en zit twee dagen later in de bus.”

De grote versnelling

Lien is geboren in 1983 en een kind van de jaren negentig. “Tijdens mijn generatie is alles veel technologischer geworden. Alles wat mama kende is verder geëvolueerd. De eerste computers, internet dat opkwam, met een inbelverbinding, dat maakte veel lawaai en duurde lang om op te starten en intussen werkte de gewone telefoon niet meer. Een grote bak werd een kleinere bak en toen ik naar de hogeschool ging was dat al een laptop geworden. De eerste gsm, met een uitschuifbare antenne. Toen ik jong was, had ik ook nog cassettes. Daarna heb ik de cd weten opkomen en de mp3.”

Jeanne: “Voor ons waren dat hele grote veranderingen. We waren dikwijls bang. Is dat nog wel allemaal juist?”
Lien: “Alles veranderde heel snel toen ik jong was. In mijn generatie zijn we geëvolueerd naar de wegwerpmaatschappij. Tegen dat je het ene had, was het volgende er al. Ik zie dat nu ook, maar nog erger, bij de generatie van Liede.”
Liede: “Als ik kleren van mijn zakgeld koop, doe ik dat dikwijls op Shein, de kledingwebsite uit China, net als mijn vriendinnen. Daar vinden we leuke stukken die we kunnen betalen. Ik ben daar megablij mee.”
Lien: “Een T-shirt van anderhalve euro, dat is eigenlijk niet logisch dat dat kan. Ik heb dat heel lang proberen tegen te houden maar…”
Liede: “De kleren van H&M of C&A worden ook in China gemaakt door kinderen. Als je bij alle kleren of schoenen die je koopt moet denken aan waar ze vandaan komen, dan moet ik in mijn bloten naar school.”
Lien: “We proberen ook wel in de kringloopwinkel kleren te kopen, ook voor Liede. Maar verder… klik klik en hop, twee dagen later in huis, indien niet gepast stuur je het gewoon terug, ik snap dat wel. Vandaag zijn het korte topjes, dan smalle broeken, dan weer baggy broeken, het verandert zo snel… het is allemaal erg verleidelijk.”

Liede is de jongste. Ze is geboren in 2006, groot geworden in de digitale wereld, de wereld van de smartphones, de social media. “Ik ben daarmee opgegroeid, met een telefoon in mijn handen. Maar ik babbel ook nog met mijn vriendinnen over de middag.”
Lien: “Bij ons is het avondeten zonder gsm aan tafel. Bij veel mensen is dat anders.”
Liede: “In veel gezinnen zit iedereen apart om te eten. De een voor de televisie, de ander aan de tafel met een gsm.”

Interdit aux étrangers

Liede groeide niet enkel op in de meest snelle en digitale, maar ook in de meest diverse samenleving.
Triene: “Ik heb de eerste mensen weten toekomen uit Turkije of Marokko. Mensen met een andere huidskleur die een andere taal spraken. Toen ik jong was zag je nog vaak bordjes ‘interdit aux étrangers’ aan cafés.”
Lien: “In mijn jonge jaren in Moen viel dat nog mee. Ik was ook opgevoed in een geest van openstaan voor alle mensen. Maar toen ik naar het middelbaar ging in Kortrijk werd ik daar wel mee geconfronteerd. Daar werd er al eens ‘makak’ geroepen en dat maakte wel indruk. Om het even welke huidskleur je hebt of van welk land je komt, oordeel niet daarop, dat heb ik meegekregen van thuis en probeer ik nu ook mee te geven aan mijn kinderen.”
Liede: “Ik heb veel vrienden die racistisch zijn. Ze komen er ook voor uit. Dan zeggen ze over allochtonen dingen als ‘ze willen geen Nederlands leren, ze willen niet werken’. Maar veel mensen willen wel werken, maar krijgen de kans niet.”
Lien: “In mijn generatie had je wel een paar racisten, maar de andere groep was veel groter.”
Liede: “De helft van mijn klas stemt op Vlaams Belang. Die hebben van thuis uit misschien niet meegekregen wat ik heb meegekregen. Ergens kan ik dat plaatsen in die context. Maar dus hún kinderen gaan een opvoeding krijgen waardoor de helft racistische uitspraken gaat doen?”

Als Liede woorden moet plakken op de tijd waarin ze leeft, zijn die niet van de poes. Rampzalig. Snel. Armoede. “Zoveel mensen die moeten vechten om nog verder te kunnen leven. Bij ons en elders. Dat vrouwen in sommige landen minder waard zijn dan mannen. Het klimaat dat aan het veranderen is, hoeveel droogte er is, hoeveel dieren er sterven. Hoeveel mensen depressief zijn of zelfmoordgedachten hebben.”
Triene: “Depressies, burn-outs, dat gebeurde zelden in mijn tijd.”
Lien: “Dat was in mijn tijd ook nog niet zo hard.”
Liede: “Ik kijk ook niet naar het nieuws. Als je moet stilstaan bij wat er overal aan het gebeuren is in de hele wereld, dan maak je het uzelf een stuk moeilijker dan je het misschien al hebt. Je kan er toch niets aan doen.”
Lien: “Ik denk dat het voor hen gewoon te veel is. Het was in onze tijd ook veel, maar overzichtelijk. Het komt ook constant binnen via de smartphone, nu. En er is ook de moeilijkheid, wat is er waar en niet waar.”

Jeanne hoort het allemaal aan. “Als ik het vergelijk met wat wij meegemaakt hebben… Jong zijn is moeilijk nu.” Wat er leuk aan is, 19 jaar zijn anno 2025 ? “Uitgaan met vrienden. Studeren waar je graag voor wilt. Uw lief. Uw familie”, zegt Liede. Want ook zij zou niet willen terugkeren naar de tijd van haar oma. “Neen. Maar de waarden die zij heeft doorgegeven, het respect hebben voor je medemensen, die manier van denken, dat vind ik wel belangrijk. Die zou ik zeker wel willen doorgeven.”

interview Joon Bilcke