RADIO IN MIJN HOOFD

Het wordt plots stil, de avond valt, eindelijk rust, weg van de drukte van de dag. In een andere tijdzone is men nog aan het dagdromen of maakt men zijn dromen waar. Vandaag is het mij niet gelukt, misschien morgen.

Blijkbaar praat ik veel in mijn slaap. Wat zou ik allemaal vertellen? Ik kan beter eens een opname maken.

Ik val in slaap, maar schiet al snel weer wakker, alsof ik in een diepe put terechtkwam. Ik bevond mij ergens tussen werkelijkheid en droom. Vroeger, na een lange, vermoeiende autorit na een nacht achter de draaitafels, had ik ook vaak dat ik hard wakker schoot met mijn armen vooruit tegen de muur, omdat ik droomde dat ik ergens tegenaan knalde. Eigenlijk een nachtmerrie met een goed einde.

Blijkbaar praat ik veel in mijn slaap. Wat zou ik allemaal vertellen? Ik kan beter eens een opname maken. Heel actief ben ik dan: ik wil lopen, fietsen, maar ik geraak niet vooruit. Nog vaak kom ik daardoor te laat op school, of geraak ik niet op het werk omdat ik de weg opnieuw kwijt ben. Toch kom ik vaak dromend aan een sprookjesachtig kruispunt met een gezellig kapelletje dat toch iets geruststellends heeft en naar verschillende wegen leidt. Een van die wegen brengt me soms naar het huis van mijn overleden oma, dat in werkelijkheid al lang is afgebroken. Toch ben ik er nog altijd welkom. Soms lijkt ze dood, soms is het alsof ze slaapt, maar af en toe praat ze ook met mij.

Het heeft een connectie met een ander fictief huis dat ik nog moet opknappen. Het is ruim, chaotisch, maar aangenaam om te vertoeven. Iedereen komt kijken, maar niemand helpt. Thuis veranderen de ruimtes ook steeds, net als de tuin. Soms is er dreiging van mensen die willen binnendringen, maar als ik later naar buiten kijk, lijkt het alsof er niemand woont en een stuk van de straat verdwenen is.

Zou daar die heuvel liggen waar je heel ver kan kijken, maar niet kan zien wat erachter ligt? Daar ligt misschien ook die onafgewerkte brug waar ik soms op sta, en zijn daar die aardewegen waar ik loop, maar geen connectie kan leggen met andere personen die er ook wandelen? Het lijkt een verklaring voor de toen nog niet afgewerkte snelwegen in de buurt waar we als kind speelden.

Ik ben op de oprit bij mijn ouders. Mijn overleden vader is er en ik plooi mijn Radio Veronica T-shirts op. Eén is helemaal vervaagd en dat geeft mij een slecht gevoel. Ik leg ze terug in de auto. Plots waait een soort bed met stukken eraf weg, precies een kartonnen doos richting de buren. De papieren van een vriendin raap ik samen; ze mogen niet gevonden worden. Mijn pa stuurt me een rokerige kamer in. Hij is aardig, net als de vader van die vriendin. Er is nog een persoon die ik eigenlijk nooit meer wilde zien, maar de sfeer is goed.

Vreemd, nu sta ik op de sporen met mijn fiets. Ik was hier al vaker. De trein lijkt tegelijk ook een bus te zijn en ik weet niet welke richting ik moet nemen. Ik sleur mijn fiets moeizaam de trappen van het perron op. Iemand heeft gekotst en voorzichtig probeer ik mijn fiets erover te zetten. Ik krijg hem ook nog over de afspanning. Ik krijg het gevoel dat iemand mij beschermt; ze zegt dat ik geen stoel met een groen symbool moet zoeken. Alleen daar zou ik veilig zijn. Toch voel ik mij nergens gerust.

Even later zit ik op een trein die opnieuw overgaat in een bus. Er is kaartcontrole. Mensen vluchten een heuvel op en ruimen vluchtigheid op, uit schuldgevoel omdat ze niet betaald hebben. De jonge buschauffeur zegt dat we verder rijden naar Limburg.

Daar hinder ik twee meisjes en een vrouw op de fiets met een kind achteraan in het zitje. Wat later zit ik samen met die vrouw uit de politiek in een wagen en steken we een kleine vrachtwagen voorbij. Ik zeg dat we te snel rijden en we krijgen een ongeval, er is discussie. Plots staat daar die droomwagen met de deur open. Ik wil niet dat hij wordt weggesleept, want we hebben geen schade, maar mensen worden boos omdat ze moeten aanschuiven in de file. Ik loop het rondpunt op met weinig kleren aan. Ik hou het eveneens boos in de gaten. Een vrouw zegt dat ze de auto laat wegslepen naar de garage en dat ik zal moeten betalen. Ik sla haar tegen een spiegel en ze is gekwetst. Ik heb spijt, want ik wou haar dit niet aandoen en besef dat ik nu nog meer zal moeten betalen.

Ik ben opnieuw thuis, het blijkt op de hoek te zijn. Mijn neefje speelt er met spullen. Ik voel dat ik hem moet beschermen. Intussen voel ik mij bedrogen, maar hij heeft er niets mee te maken.

Opnieuw in een andere auto, nu met mijn neefje. Ik kan weinig zien en de radio verspringt constant van zender. We worden van de weg gereden, maar we rijden ook anderen van de weg. Nu lopen we, we lopen overal doorheen. Ik duw een oudere dame weg. Baby’s liggen in couveuses. We zijn nu met drie, maar we willen iemand kwijt. We lopen verder te velde, maar we geraken die ene niet kwijt.

Ik kom alleen in een lift terecht in een groot gebouw. Ik geraak er niet uit. Plots beland ik toch in kamers verspreid door het gebouw. Ik kan een douche nemen en sta wat later op de parking en wil opnieuw naar huis, maar ben alweer de weg kwijt.

Ik schiet wakker en op de radio weerklinkt Here I Go Again van Whitesnake.

Ik ben nog moe en val opnieuw in slaap.

Ik word plots tegengehouden voor controle. Mijn dj-materiaal ligt in de bestelwagen, terwijl ik die al een jaar geleden heb verkocht. Ik ben gerust, want alles is in orde. Ik ben geen dj meer, maar soms word ik nog gevraagd om muziek te draaien. Dan blijkt dat ik mijn materiaal vergeten ben of niet bij heb, en loopt alles volledig in het honderd. Het feest begint chaotisch, muziek valt weg of klopt niet, mensen raken geïrriteerd en alles dreigt in te storten.

Maar soms slaat het net om. Dan wordt diezelfde chaos plots iets uitbundigs, alsof alles wat misloopt toch deel wordt van het feest. Dan wordt het druk, luid en intens, en lijkt het alsof niemand nog weet wat er eigenlijk fout loopt in deze droom.

Marino Coolsaet