Het klinkt over de eeuwigheid waarin ik ben beland.

Hier lig ik dan, roerloos en vreedzaam. Ik krijg een kus en voel een extreem warme hand, een soort levend vuur. Intussen voel ik de innige knuffel van iemand die me graag zag. Ze nemen liefde­vol afscheid van me. Ik krijg een laatste eerbetoon. Misschien heb ik dit niet verdiend, maar misschien krijg ik dit voor een betere periode uit mijn leven. Het leven heeft ervoor gekozen om mij te laten gaan. Ik heb mensen in shock gebracht.

Ik word begraven, geen crematie, bang voor het hellevuur.

Ik geloof dat ik er dan nog ben, mensen kan helpen, het eeuwige leven.

Enkele dagen later is het extreem warm. Maar zelfs al was het ijskoud, hij hoeft geen extra vuur te stoken. Hij voelt de warmte bij het bekijken van een foto waarop hij zelf staat, samen met mij en nog een andere broer.

Ik zie mezelf naar hen lachen terwijl zij ook vrolijk zijn. Wat is dit lang geleden. Ik zie dat hij verdriet heeft bij het bekijken van de foto; tranen vloeien als regendruppels over zijn gezicht. Het is duister voor hem, zelfs al brandt er een spaarlamp.

Ik wil met hen die tijd wel eens opnieuw beleven; zou dat hier kunnen, waar ik nu ben, of zijn ze dáár nog nodig voor de andere dierbaren die mij missen? Of kunnen we samen vluchten in een zwart gat waar alleen maar geluk kan zijn? Ach, ik heb een idee: ik maak een vuurtje met wat stenen en hout. Ik heb dit vroeger zo vaak gedaan; misschien verdrijft dat het verdriet en zorgt het voor extra licht in deze voor hen donkere periode.

Plots slaat een bliksem in; alweer is de natuur me te snel af. De dakloze naast de brug wordt getroffen. Een vuurbal vernie­tigt alles wat hij nog bezit, maar hij is nog in leven en heeft nog alle kansen. De dakloze rent, rent, rent, tot hij bijna geen adem meer heeft en kan schuilen in het bos. Opnieuw is er een oorver­dovende stilte, net als toen, op het moment dat ik ging. Ik ben bij hem. Hij vertelt me dat het zijn verdiende loon is en dat hij zijn lot moet ondergaan. Hij werd betrapt als pyromaan. Het enige geluk dat hij heeft, is dat hij vrij is na het uitzitten van zijn straf. Maar niemand vangt hem op; ze zijn hem vergeten. Niemand wacht op hem!

Op de radio klinkt een extra nieuwsflits.

Mensen zijn op de vlucht, op zoek naar vrijheid. Ze rennen hard; ze zijn ontsnapt. Ze willen niet langer opgesloten zitten. Maar ze hebben pech: ze kunnen onze kant voorlopig niet op, de brug staat open. Ze schuilen en wachten. Hun hart klopt sneller dan gewoonlijk, ze voelen het vuur van de angst, ze zijn bang.

De NightSun van de helikopter, op zoek naar hen, schijnt fel maar scheert gelukkig net naast hen. De politie rukt af en aan; loeiende sirenes weerklinken over de stad. Ze worden als gevaarlijk beschouwd; niets is minder waar.

De jonge vrouw, één van hen, werkte in een kledingzaak. Ze liep er rond in een kort kanten rokje en trok zoveel mannelijke klanten aan, die aan het ontbranden waren van lust, dat de werkdruk te hoog werd en ze een burn-out kreeg. Het werd haar te veel; maar mensen vonden haar lastig en de maatschappij gooide haar in de gevangenis en later in de psychiatrie. Ze zouden haar daar wel helpen.

De gekleurde man kon niet van de drugs afblijven en werd steeds opnieuw betrapt. Maar hij werd niet begeleid wanneer hij eens van de vrijheid mocht proeven. Nu is hij al een tijdje clean, maar hij krijgt hun vertrouwen niet, terwijl hij hun vertrouwen wel wilde. Hij zal het nu verder alleen doen. De jonge vrouw vertrouwt hij wel, net als de man die betrapt werd tijdens het inbreken. De regering had zijn inkomen afgenomen; hij kon niet anders.

Ze beslissen om in het water te springen. Het is ijskoud, maar ze geraken aan de overkant. De brugwachter ziet het gebeuren, maar trekt het zich niet aan. Hij gunt hun een nieuwe toekomst. Hij laat de brug nog even openstaan, ook al komen er nu geen schepen meer aan.

Drijfnat vluchten ze ook het bos in. De politie is woedend; ze willen de brugwachter arresteren. Gelukkig is er zojuist wat plaats vrijgekomen: drie mensen zijn vrij, ontsnapt, en een gevangene overleed enkele dagen geleden nadat hij zichzelf wanhopig in brand had gestoken in zijn cel. Mensen schrijven op sociale media dat het zijn verdiende loon is en dat hij waarschijnlijk wel iets verschrikkelijks had uitgestoken, terwijl ze niets van zijn daden afweten. Het oordeel voor de moderne brandstapel is geveld. Gelukkig kwamen er ook mensen voor hem op die hem verdedigden en het hatelijke vuur wat blusten; zij begrijpen dat iedereen wel in de gevangenis kan geraken, zoals de jonge vrouw.

De jonge vrouw en haar kompanen zijn nu bij ons in het bos. Zij denkt aan de eenzame fietser die haar steeds kwam bezoeken en het nu wel koud zal hebben zonder haar. Ze neemt twee stokjes en steekt ze aan met een aansteker die ze vond; ze lijkt nu wel het moderne meisje met de zwavelstokjes. Ze hoopt dat hij, net als de anderen, zich er kan aan verwarmen.

Zo heeft ze nu toch ook haar eigen vuurwerk dat ze moest missen op oudejaarsavond, omdat ze nog maar eens werd afgezonderd op haar kamer. Het bos voelt net als ik ook de warmte, maar het is niet bang; het heeft net geregend en er is geen direct brand­gevaar. Het bos is ook niet bang voor de pyromaan, die zijn lesje wel heeft geleerd, maar eerder voor de klimaatopwarming, ver­oorzaakt door mensen die nog steeds vrij rondlopen, zonder straf. Er werd al veel bosfamilie afgebrand!

Plots kijkt iedereen mij vragend aan: de pyromaan op zoek naar een vonk, de jonge vrouw nog vol vuur, de drugsverslaafde op zoek naar een kick en de dief op zoek naar bezit. Keren ze beter terug naar de maatschappij en hopen ze dat ze daar de warmte van vuurspetters, verdraagzaamheid en liefde vinden, of kunnen ze beter doelloos ronddwalen tot ze worden opgeslorpt door het zonneplasma dat uiteindelijk voor iedereen warmte brengt?

Ik laat ze zelf beslissen, ik wil vooral geen extra vuurke stook maken.

Marino Coolsaet