“Om tot rebellie te komen dient men zich te verenigen.”

Die zin die ik ooit ergens gelezen had dreunde door mijn gedach­ten, nu ik hier in de isolatiecel van het penitentiair centrum mijn tweede dag inging. Gisteren was me nog elk comfort ontzegd. Nu had ik een inktbuisje gekregen, het binnenwerk van een balpen, en enige blaadjes papier. De ganse balpen laten aan een met iso­latie gesanctioneerde was de gevangenisdirectie te risicovol. Men wou geen zelfmoordpogingen. Geen gedoe.

Ik schreef het zinnetje op: ‘om – tot – rebellie – te – komen – dient – men – zich – te – verenigen’ en ook die andere zin, ‘braaf – wezen – en – nooit – meer – drinken’. Woord voor woord.

Ik had inderdaad wat veel gedronken en wat weinig ‘verenigd’ met mijn gezin. Af en toe al te beschonken te laat thuisgeko­men. Familiaal keet geschopt. Stom wijf dat ik niet kon missen. Uiteindelijk was ze weggegaan. Met de kinderen. Toen begon ik pas echt te zuipen. Het huis dat mijn vrouw leefbaar had gehou­den verviel tot een zwijnenstal. De in co-ouderschapsregeling langskomende kinderen vonden me als een hond in zijn vuil. Een woning waar moest opgeruimd, een vader waar ze moesten voor zorgen. Tot hun moeder ingreep. Zij had een goede advocaat gevonden. Ik moest een flink stuk van mijn loon als alimentatie afstaan, en werd ‘tot het beter zou gaan’ het co-ouderschap ont­zegd. Klote. Zuipen dat ik deed. Godverdomde maatschappij.

P. Dekeetschopper

Gaan werken had voor mij geen zin meer. Ik hield toch niets over. Men praatte me een leefloon aan. Men praatte. Twee schone meiskes, stagiaires of net iets meer, waren mijn regelmatige gesprekspartners. Soms ging ik, soms ging ik niet. Ze lulden over mij als ‘het probleem’. Tijdens ons zoveelste onderhoud schoot ik uit mijn kraam, zei dat ze geen kloten kenden van het leven van de aangespoelde die ik was. Ik sloeg met mijn beide vuisten zo hard op het tafeltje tussen ons dat hun laptop twintig centime­ter omhoog wipte. Zij vluchtten bIeek de gespreksruimte uit en noteerden dat ik ‘een onhandelbare persoon was’. De begeleiding werd even op pauze gezet. Niemand zei voor hoelang. Tot men een oplossing gevonden had, tot ik ‘terug beter’ zou zijn. Ik zoop, at soms, en vloekte.

Ik zocht mijn vrouw op in het huis waar ze woonde. Ik zocht mijn kinderen op in school. Ik werd overal verwijderd. De politie stond aan hun kant. Niemand stond aan mijn kant. Wanneer ik ergens politieagenten zag, ging ik aan het krijsen. Ook bij de bank had men me eens laten verwijderen.

Ik kon het alimentatiegeld niet meer betalen. Er kwam een PV. Een afspraak bij de advocaat. Ik kreeg een bewindvoerder. Mijn naam kwam op steeds meer papier te staan. Ik zei: “Schrijf maar op: P. Dekeetschopper, geboren in tranendal.” Ze zeiden dat ik me moet rustig houden. Ik zei dat ik ze godverdomme op een dag zou vinden. Dat ze dan niet meer zouden lachen.

Toen ging het echt fout. Ik was ergens in de struikjes gaan pis­sen en toen ik naar de openbare weg terugkeerde wachtten twee agenten in hun combi me op. De naast de chauffeur zittende agente, een aantrekkelijke vrouw, vroeg door het open raam of ik daar in de struiken was gaan plassen. Ik zei: “Mevrouw, ik plas niet, ik zeik.” Ik had er genoeg van en sprong als een tijger op de combi toe en schopte er enkele diepe deuken in. Even later zat ik gehandboeid binnen in de auto, ze waren niet lief met mij. En nog even later zat ik in een cel. ‘s Anderendaags na enige admi­nistratie werd ik naar de gevangenis overgebracht. Ik dacht voor even.

Braaf zijn en zwijgen

Drie maand later had ik een gesprek met de gevangenispsychia­ter die zei ‘dat ik hulp nodig had’. Af en toe mocht ik er eens op uit voor een rit naar de rechtbank, waar rechters en advocaten het over mij hadden. Nog een flinke tijd later kreeg ik het vonnis dat ik als ‘persoon waartegen de maatschappij moet beschermd worden’ geïnterneerd zou blijven ‘tot het beter met me zou gaan’. De teerling was geworpen: ik was geen vrij mens meer. Anderen zouden voortaan beslissen waar en wanneer ik te gaan en te komen had. Daarop heb ik alles in mijn cel kort en klein gesla­gen. Ik weet niet waarom, evenmin waarom niet.

Het voornaamste dat ik weet is dat ik niet meer mag rebelleren, geen millimeter meer. En doen wat men mij opdraagt. Braaf zijn en zwijgen. Zodat mijn vrouw en mijn kinderen en de ganse klo­temaatschappij niet meer bang zijn voor mij. Terwijl ik loop te barsten. Woede en verdriet. Wie ben ik voor de wereld geworden? En wie zal ik straks voor mezelf nog zijn?

Ik las ook de zin: ‘Op lange termijn blijft rebellie hoopgevend’. Misschien rest mij als rebellie nog slechts de hoop. De hoop op een andere verhouding tussen mij en de wereld? De hoop dat iemand eens zal luisteren naar mijn verhaal en me dan zeggen wat kan en wat niet. De hoop dat dialoog mogelijk is. Hoop als rebellie tegen wanhoop.

José Vandenbroucke

 

Beeldend werk – Miep Lambrecht