hij is niet lief, hij is zo moe
zijn bril is ergens in het park achtergebleven
zijn fiets aan de kant van de weg
bij alles wat hij wil vergeten
over hoe het beest beestig op hem lag
terwijl men thuis keek
naar ‘Thuis’ aflevering 1034
die domme praat
die taarten met slagroom
dat speeksel vol voorgeslacht
dat driemaal daags, die vieze poten
praalwagens met rupsbanden
kakelen over gelukkig wezen
over de kip over het ei
kinderen die giants eten
dat kapot gereden rozenperkje
zoals hij daar lag op de grond
ze schopten hem in zijn kloten
ze zeiden dat hij schoon speelgoed was
en sloegen vrolijk op trommels
hij stond – en plein public –
op de Piazza San Marco
in zijn witte broek te plassen
iedereen zag het maar niemand deed iets
ik zeg het, ik zeg het, ik zeg het driemaal
nog voor de haan heeft gekraaid
nog voor de frieten zijn gebakken
ik zeg het met zijn ogen, met zijn woede, zijn verdriet
zijn kleren moeten gewassen
die poten van zijn vel gekrast
nooit wil hij nog zo smerig voelen en zo betast
hij is de razende, de schreeuwer zonder stem
verlos hem, ontdoe hem van die woedende stilte
spreek hem aan met een taal of een teken
om te kunnen zijn, zwijg hem open
hij heeft handen aan zijn lijf
een identiteitsbewijs en een ziel
hij kan koffie zetten, of nog liever thee
klop bij hem aan, ga naar binnen
José Vandenbroucke
