Onze Klankenkoorts was maar een van de vele ‘participatieve muziekprojecten’ die vorig jaar ergens te lande plaatsvonden. In tegenstelling tot sociaal-artistiek theater, waar iedereen zich intussen wel iets kan bij voorstellen, zijn zo een projecten vaak veel minder zichtbaar en wordt er ook veel minder over geschreven. An De bisschop en Filip Verneert willen daar verandering in brengen.
Voor hun boek Daar zit muziek in ! Participatieve muziekpraktijken in Vlaanderen en Brussel verzamelden ze meer dan vijftig verhalen van muzikanten die actief zijn in evenveel participatieve muziekprakijken. Die verhalen verbonden ze met inzichten uit onderzoek. Het boek verschijnt in het najaar, maar nu al wou An ons graag onderdompelen in dit boeiend veld.
Heel veel mensen zijn met muziek bezig. Wat onderscheidt ‘participatieve muziekprojecten’?
An: “Het zijn artistieke projecten met sociale doelstellingen die expliciet zijn. Het kan gaan over praktijken die werken met kansengroepen, maar ook inclusieve projecten waarin iedereen welkom is kunnen een expliciete sociale doelstelling hebben. Ik vind dat expliciete belangrijk om te benadrukken omdat ik de geschiedenis van het sociaal-artistieke heb meegemaakt en ook wel zie hoe het sociale narratief een soort van ‘social washing’ kan zijn om kunst relevant te maken. Een ander aspect van afbakening dat we hanteerden, is dat de projecten moeten worden geleid door ervaren muzikanten. Die hoeven niet per se een hogere muziekopleiding te hebben gehad, maar het gaat erom dat er echt met een groep muziek wordt gemaakt. Creatieve workshops op tamboerijn vallen daar dus niet onder. Alles samen komen we uit op zo een vijftigtal praktijken, verspreid over Vlaanderen en Brussel.”
Kunnen we spreken van een veld op zich ?
“Ik zie twee lijnen. Er zijn projecten met wortels in het sociaalartistieke, waar mensen via muziek een stem krijgen die elders weinig wordt gehoord. En sinds ‘participatie’ een ruimere functie is geworden binnen het Kunstendecreet, zijn er praktijken bijgekomen die al langer werken rond muziek en nu inzetten op participatie om hun werking toegankelijker te maken. Je ziet dus een combinatie van sociaal-artistieke praktijken die het in hun DNA hebben om sociale en artistieke doelstellingen met elkaar te verbinden, en praktijken die eerder het resultaat zijn van overheidsbeleid dat middelen beschikbaar heeft gemaakt voor participatieve projecten in de ruimere zin van het woord.” “Verder is het echt een lappendeken. Een aantal projecten zijn ontstaan vanuit individuele engagementen van muzikanten, andere zijn ingebed in bredere, vaak sociaal-artistieke organisaties, waar muziek een taal is, maar niet de enige. Ik denk aan Villa Voortman of Victoria Deluxe, of de voorstelling Klankenkoorts bij jullie. Qua muzikale genres heb je ongeveer alles. Er zijn fanfares, koren, bands, percussiegroepen, … die muziek spelen die bij hun bezetting past, dus heel wat folkmuziek maar ook pop-rock en rap en hiphop, zeker met jongeren. Echt participatief werken binnen klassieke muziek blijft moeilijk, door het instrument-technische aspect. Wel is er in Brussel El Sistema Belgium, dat is geïnspireerd door een gelijkaardig initiatief in Venezuela. Jongeren leren er op een heel toegankelijke manier, binnen hun school, orkestinstrumenten zoals cello bespelen. Maar verder zijn er weinig zo’n initiatieven in ons land. Er zijn veel buurtgerichte initiatieven, die vertrekken vanuit de diversiteit van een buurt en daarmee aan de slag gaan, zoals de Ledebirds in Gent. Er zijn ook projecten in instellingen zoals gevangenissen, of zorginstellingen zoals woon- of dagcentra voor mensen met een fysieke of psychische beperking. En vooral in Brussel wordt vaak in scholen gewerkt. ReMuA in Molenbeek bijvoorbeeld ontstond uit de vaststelling dat kinderen met etnisch diverse achtergronden of die het sociaaleconomisch moeilijk hebben, de weg naar de muziekschool, ons Deeltijds Kunst Onderwijs, niet vinden. Daarom zijn ze in de scholen zelf gaan werken. Dit gezegd zijnde, zijn de meeste participatieve muziekprojecten wel gericht op volwassenen.”
“Beleidsmatig vallen sommige projecten onder het Kunstendecreet, andere onder het sociaal-cultureel volwassenenwerk, jeugd of welzijn, een aantal leunen op louter lokale financiering. Veel projecten zitten ‘tussen twee stoelen’, zoals tussen zorg en de kunsten of tussen onderwijs en de kunsten, en daar kunnen wij nog altijd niet goed mee weg in Vlaanderen. Die zouden eigenlijk vanuit verschillende sectoren en decreten moeten ondersteund worden, maar dat blijft dus moeilijk. Waarom zijn er bijvoorbeeld weinig muziekprojecten in gevangenissen ? Omdat dit vanuit de kunsten niet specifiek gefinancierd wordt, en vanuit het forensisch welzijnswerk ook niet. Dat is jammer.”
Hoe verhouden proces en resultaat zich bij deze praktijken?
“Iedereen die zijn verhaal vertelde voor ons boek vindt dat je een proces niet kunt bruuskeren om een bepaald artistiek resultaat te bereiken. Maar dat wil niet zeggen dat men er niet naar streeft. Sarah Goldfarb bijvoorbeeld is een topmuzikante die van creatief musiceren met kinderen haar missie heeft gemaakt. Kapinga Gysels van Mais Quelle Chanson zong bij Zita Swoon, als je haar voorstellingen met de kinderen ziet, dat is van een hoog artistiek niveau. Als je als muzikant naar buiten komt met iets probeer je dat artistiek zo goed mogelijk te doen natuurlijk. Daarenboven dagen participatieve muziekpraktijken muzikanten artistiek uit op een manier die buiten hun comfortzone ligt. Uit ons onderzoek, waarvan we een stukje in het boek weergeven, leren we bijvoorbeeld dat participatief werken voor zo’n topmuzikanten zelf ook een meerwaarde heeft. Ze vinden in dit werkveld vaak een authenticiteit en ruwe kracht, die in de vaste formats van de professionele circuits soms ver te zoeken is.”
“Veel muzikanten die participatieve muziekprojecten begeleiden geven ook les in het klassieke onderwijs. Allen vertellen ze dat participatieve projecten een vrijere manier zijn om met muziek bezig te zijn. Het gaat over improviseren, op het gehoor spelen, over de connectie tussen mensen, veel meer dan over de juiste noten spelen of een hoog technisch niveau halen. Vaak verwijzen muzikanten naar hun conservatoriumopleiding in de omgekeerde zin, namelijk op wat ze allemaal hebben moeten afleren om een goede muziekcoach te zijn binnen participatieve muziekprojecten. Anderzijds zijn het geen tegengestelde contexten, want in beide gevallen probeer je iets aan te leren. Zo denk ik dat een aantal kwaliteiten van het participatieve veld ook wel zullen doorgroeien naar het muziekonderwijs, en vice versa is de pedagogische competentie van muziekleraren ook wel een plus in participatieve projecten.” Klankenkoorts, is dat je mensen van verschillende niveaus en instrumentskills door elkaar mengt, waarbij de betere muzikanten de andere optillen.”
Is muziek makkelijker om deel te nemen dan theater ?
“Dat denk ik niet. Als je kunt spreken, kun je bij wijze van spreken theater spelen. Bij muziek is er vaak een technische component die je niet kan negeren. Daarom zijn koren of percussie heel toegankelijk. Famba, een feministische percussiegroep uit Gent, zegt zelf dat ze voor percussie hebben gekozen omdat dat het meest toegankelijk was voor iedereen. Maar je hebt, net als bij theater trouwens, ook hier een hele range aan niveaus. Sommige praktijken zitten op initiatieniveau, kinderen die hun eerste stappen zetten in percussie bijvoorbeeld. Maar er zijn ook projecten die op een veel hoger niveau met muziek bezig zijn. Zo heeft Villa Voortman een plaat opgenomen, dat is op een professioneel niveau getild. En wat je vaak ziet, ook bij jullie in
Sociaal-artistiek theater gaat heel vaak over maatschappelijke issues, is dat hier ook zo ? “Vaak wel, al is dat in muziek soms indirect te lezen. Kapinga bijvoorbeeld werkt vaak rond maatschappelijk actuele thema’s zoals het klimaat of zelfzorg bij jongeren. Of in projecten die met vluchtelingen werken zit bijvoorbeeld vaak een stuk reflectie rond de situatie van vluchtelingen. Maar dat is niet altijd zo en het hoeft ook zeker niet altijd, denk ik. Misschien gelukkig maar dat het niet altijd geëxpliciteerd wordt. Want vaak heb je dan een soort van pamflettaire kunst waar alles alleen maar in de letterlijkheid zit. Dat is het mooie aan muziek, je kan keuzes maken via tekst, via repertoire, via de samenstelling van de groep of via de uitvoering. Dat zijn vele lagen van betekenis, en die dragen allemaal bij aan wat je met je muziek zegt.” “Een aantal praktijken zijn wel duidelijk activistisch geïnspireerd. Zo is Famba ontstaan in de context van de betogingen tegen de Irakoorlog. BRUiTAL, een percussiegroep van Jo Zanders van MetX in Brussel, is evenzeer activistisch geïnspireerd, op ongeveer alle betogingen ga je die vinden. Fanfakids, een percussiegroep voor kinderen, ook van MetX, is ontstaan vanuit de noodzaak om in Molenbeek iets positiefs te doen met kinderen. Dat is ook een vorm van activisme, maar dat lees je dus niet direct in hun muzikaal repertoire.”
Waar vinden deze praktijken de weg naar hun publiek ?
“Er wordt veel opgetreden, maar er is weinig aandacht voor, bijvoorbeeld van recensenten en de reguliere media. Binnenkort treedt ReMuA op in Flagey met Brussels Philharmonic. Maar wie gaat daar naartoe ? Mensen die die organisatie al wat kennen natuurlijk. Hier in Gent treden de Ledebirds of Mais Quelle Chanson vaak op, maar dat is zelden op de grote podia, meer in de context van een buurtfeest. En sommige projecten, die bijvoorbeeld in gevangenissen doorgaan, kunnen vaak alleen naar buiten treden door een videoclip of een plaat die ze maken.”
Toch is muziek een laagdrempelig medium voor een publiek ?
“Meer nog dan tekst of toneel boort muziek een emotionele, directe laag aan. Er is weinig barrière, als je ervoor openstaat natuurlijk. Muziek schakelt in zekere zin je denken uit. Anderzijds zijn we als toeschouwer heel erg geformatteerd in hoe we naar muziek luisteren, door de popmuziek, de streams online die we elke dag te horen krijgen. Omdat veel participatieve muziekprojecten buiten deze formats treden, zijn ze voor veel mensen vaak moeilijker om naar te luisteren. TOSO, The Ostend Street Orkestra, een project van kleinVerhaal in Oostende, is een goed voorbeeld. Dat had een geweldige sound, maar die was wel heel erg out of the box. Als je gewoon bent om naar geformatteerde jazz te luisteren, is het niet denkbeeldig dat je die vreemde sound maar chaotisch vindt. Naar sommige muzikale talen moet je toch leren luisteren, en dat is voor participatieve muziekpraktijken niet anders dan voor andere muziek.”
interview Joon Bilcke
Het boek Daar zit muziek in ! Participatieve muziekpraktijken in Vlaanderen en Brussel wordt uitgegeven door Borgerhoff & Lamberigts, en komt uit in oktober 2025.



