Sociaal werk in quarantaine

Na een klein jaar ontregeling van het sociaal werk door corona maken we een tussenstand op met Caroline Verhaeghe, Yasmien Ousta en Sofie Moerkerke, drie Kortrijkse veldwerkers.

Binnen de zorg- en de hulpverlening springt vooral de impact van de aanslepende coronacrisis en haar vele maatregelen op de mensen in de ziekenhuizen en de woonzorgcentra in het oog. Maar ook het sociaal werk raakt deftig ontregeld, zowel voor de hulpverleners als hun ‘cliënten’. We spraken erover met Caroline Verhaeghe, Yasmien Ousta en Sofie Moerkerke.

Caroline Verhaeghe werkt sinds een aantal jaar als brugfiguur vanuit de Unie en pende vorig jaar haar ervaringen met de bureaucratie neer in het boekje Ik Caroline. Ook Sofie Moerkerke is brugfiguur, maar dan in Drie Hofsteden, een basisschool met een heel diverse populatie. Yasmien Ousta is straathoekwerker.

In het begin van de coronacrisis heette het nog dat het virus de grote gelijkmaker was. Het maakte geen onderscheid tussen mensen, we zaten allemaal in hetzelfde schuitje. Stilaan maakte deze mantra plaats voor het besef dat de ene mens al harder wordt getroffen door het virus dan de andere, maar ook dat de verstrengingen die gepaard gaan met de poging de pandemie in te dijken, niet gemaakt zijn op maat van de meest kwetsbaren in de samenleving.

Yasmien: “Het motto van de eerste lockdown in het voorjaar, Maggie De Blocks ‘Blijf in uw kot’, is natuurlijk per definitie een probleem voor daklozen. Het is moeilijk om in uw kot te blijven als je geen kot hebt. En omdat ‘de inloop’, een plek van het CAW waar onder andere daklozen tijdens de dag even op adem kunnen komen, dicht was, bleven die noodgedwongen de hele dag op straat, waar ze dan ook nog eens niet op een bankje mochten uitrusten. Gelukkig is er daarop vanuit de stad een document gemaakt waarmee ze bijvoorbeeld aan de politie konden aantonen dat ze dakloos waren, waardoor die een en ander door de vingers kon zien – hoewel de ene agent daar al wat soepeler in was dan de andere. Met de avondklok nu is dat net zo. En heel vaak breekt nood gewoon ook wet. In de nachtopvang slapen mensen sinds kort per twee op een kamer. Dat zijn geen knuffelcontacten, dat is dus eigenlijk een schending van de regels. Maar we kunnen mensen niet zomaar op straat laten slapen. Hoewel dat uiteindelijk toch vaak het resultaat is, want niet iedereen ziet dat zitten om samen te slapen met iemand die hij of zij niet kent. Sommigen zijn echt bang om besmet te raken. Als zij dan elders bij iemand kunnen slapen, maar er zijn bijvoorbeeld al drie mensen in dat huis, dan zullen die toch blijven, bij gebrek aan alternatief. Het is gewoon moeilijk om als dakloze alle regels te respecteren.”

Sofie: “Bij ons was de eerste lockdown, toen ook de scholen dicht waren, erg lastig. In de eerste plaats voor veel gezinnen die plots hele dagen thuis kwamen te zitten – niet alleen de school was dicht, ook de vrijetijdsactiviteiten waren opgeschort en zelfs de speelpleintjes waren dicht. Maar ook voor ons, omdat we het contact dreigden te verliezen. Om zicht te houden op de situatie kwamen we daarom aan huis met pakketjes met schoolwerk, of een laptop voor gezinnen die er geen hadden. Zo kwam ik te weten dat een leerling moeite had met haar taakjes omdat ze die moest maken op de telefoon van haar moeder. Maar dan nog weet je niet exact wat er allemaal gaande is.”

Yasmien: “Ik heb toch de indruk dat in scholen waar er brugfiguren actief zijn de situatie veel beter is opgevolgd dan in scholen waar er geen brugfiguren actief zijn, en waar kinderen meer aan hun lot zijn overgelaten, of waar men er bijvoorbeeld gewoon van uitging dat er wel thuis laptops voorhanden zouden zijn.”

Sofie: “Ik denk ook dat het concept van ‘brugfiguur’ tijdens deze crisis haar nut bewijst. Zo had ik mensen die bij een psycholoog gingen maar die daar tijdens de eerste lockdown een hele tijd niet terechtkonden. Ik trachtte dat dan wat op te vangen door een wandeling met hen te maken en te luisteren en wat te praten. Maar ik kan die psycholoog natuurlijk niet vervangen.”

Caroline: “Dat kan je wel, Sofie!” (hilariteit)

Sofie: “Ik vond het ook heel lastig dat alles individueel werd. Alles wat groepswerk is, zoals een kooknamiddag met ouders, viel weg. Terwijl dat sociaal contact heel belangrijk is. Ik heb hier eigenlijk nog altijd geen deftig alternatief voor gevonden, omdat we mensen niet mogen samenbrengen.”

Ook bij de voedselbank De Vaart, waar Caroline mee aan de kar trekt, is de impact van de crisis zichtbaar. “De rijen worden langer en dat is niet alleen omdat mensen afstand moeten houden. Er zijn meer mensen en ook profielen die je er eerder niet zag. Het zijn bij wijze van spreken niet alleen meer de ‘tjoolders’ die voedselpakketten komen ophalen, maar ook heel ‘gewone’ mensen die schoon gekleed zijn en tot voor kort niets te kort hadden. Studenten ook. En er is veel schaamte. Het is heel confronterend om buiten op straat in de rij te staan aanschuiven voor een voedselpakket. Er waren mensen die een paar keer kwamen en die je dan niet meer zag omdat ze wellicht uit de érgste nood waren geholpen. Intussen wordt er wel al gewerkt met een beurtsysteem, zodat mensen niet in zo een lange rij op straat moeten staan aanschuiven.”

Veel mensen zagen, zeker tijdens de eerste lockdown, ook een grote golf van solidariteit, van mensen die elkaar hielpen waar ze konden. Was dat ook iets wat jullie opviel?

Yasmien: “Neen, niet echt. Bijvoorbeeld naar daklozen toe was er maar weinig verdraagzaamheid. Als die buiten even in een groepje samen stonden, werd toch dikwijls de politie gebeld. Hoewel, mensen wisten misschien niet altijd dat het om daklozen ging… Wij kennen die natuurlijk wel.”

Caroline: “Ook de wachtrij aan het wijkcentrum waar mensen eten konden komen ophalen of even op adem konden komen, werd vaak negatief bekeken. Hetzelfde met de wachtrij op straat voor de voedselbank waar ik van sprak, waar de buren dan weer over klaagden.”

Sofie: “Maar ik zag toch ook veel solidariteit. Als ik denk aan een laagdrempelige ontmoetingsplek als De Kier of De Vaart, initiatieven die draaien op vrijwilligers, vaak ouderen of mensen met een risicoprofiel. Die bleven zich inzetten en doorwerken, terwijl maatschappelijk werkers uit veiligheidsoverwegingen verplicht moesten thuiswerken. Dat was toch wat raar. Ik denk dat de collega’s die daarvoor al bureauwerk deden daar minder last van hadden, maar voor veldwerkers als wij is dat heel raar. Aan de andere kant, toen De Vaart of de nachtopvang dreigden stil te vallen omdat er vrijwilligers afhaakten, werd aan de stadsmedewerkers die technisch werkloos waren gevraagd om vrijwillig bij te springen. Zo is De Vaart kunnen open blijven. Toen de vrijwilligers zagen hoe het coronaproof werd aangepakt, pikten ze de draad terug op.”

Kan de coronacrisis ook een hefboom zijn om bepaalde taboes te laten sneuvelen en zaken bespreekbaar te maken of te realiseren die voordien moeilijk waren?

Caroline: “Wij pleiten als het over dakloosheid gaat al langer voor de ‘housing first’ aanpak. Dat betekent dat je bij de meest kwetsbare daklozen in de eerste plaats zorgt voor een huis, zonder allerlei bijkomende voorwaarden. Tijdens de eerste lockdown stelde de stad een aantal leegstaande zorgflats van het zorgcentrum Akkerwinde ter beschikking van daklozen met corona. Die konden immers niet in de reguliere opvang terecht, en mochten in Akkerwinde verblijven tot ze genezen waren. In tweede instantie werd Akkerwinde opengesteld voor daklozen in het algemeen. Dat is goed, maar we zien toch dat de meest kwetsbaren, die bijvoorbeeld moeilijk in een groep kunnen aarden – Akkerwinde is toch een vorm van in groep leven – er het eerst uitvallen. Wat in Akkerwinde gebeurt is nog niet de housing first zoals wij die voor ogen hebben, maar het is een stap in de goede richting. Het helpt om al doende een manier van denken en een praktijk ingang te laten vinden.”

Yasmien: “Of nog, tijdens de eerste lockdown werden de uithuiszettingen tijdelijk opgeschort. Dat is iets wat daarvoor niet gebeurde. Maar de lockdown toonde aan dat dat wel degelijk kan. Dat is bijvoorbeeld ook iets wat we moeten proberen mee te pakken naar de toekomst.”

Bereiken de coronarichtlijnen de mensen waar jullie mee werken voldoende?

Yasmien: “Sommige gasten staan niet altijd stil bij de situatie, ze vinden het misschien raar dat je plots gene pieper meer geeft. Maar dat is niet méér dan in mijn vriendengroep of familie. Ook daar zijn er mensen die mensen blijven zien, en anderen die strikt de regels naleven. Zo is dat ook bij de mensen met wie ik werk. Het idee dat er een onderklasse zou zijn die zich van de regels niets aantrekt klopt niet. En als we merken dat de gasten niet goed geïnformeerd zijn, dan is dat onze taak om ze zo goed mogelijk te informeren. Want ook hier doen veel cowboyverhalen de ronde. Maar dat is in de rest van de samenleving ook zo.”

Sofie: “Nu, tijdens de tweede lockdown, gebeurt de communicatie wel in veel meer talen, dat scheelt toch ook.”

Yasmien: “Sowieso merk ik dat veel daklozen het nu moeilijker hebben dan tijdens de eerste lockdown. Ik moet meer dan toen achter hun veren zitten, hen moed inspreken. Maar ik zie nu ook bij veel sociaal werkers meer moedeloosheid. Een crisis als deze legt nog maar eens het ontbreken van structurele oplossingen voor maatschappelijke problematieken bloot, waardoor nu nog meer dan anders mensen afhankelijk zijn van liefdadigheid. Als maatschappelijk werker heb ik soms het gevoel dat ik minder kan doen voor de gasten dan mensen die binnen de caritas actief zijn. Heel vaak moet ik gewoon doorverwijzen naar initiatieven als De Kier of De Vaart, ik kom soms meer in contact met de medewerkers daar dan met mijn collega’s van het OCMW.”

interview Joon Bilcke

De Gazet