DE GROOTST MOGELIJKE DEMOCRATIE

José Vandenbroucke

Hoe kritisch mag de kunstenaar nog zijn? En kan de ene zich meer permitteren dan de andere? Vragen waar we in de Scala bij stil stonden naar aanleiding van de heisa rond de film Deburkanisation van Rachida Lamrabet. José Vandenbroucke was erbij en blikt terug.

Vrijdag 9 februari. Ik was gisteren aanwezig bij de filmvertoning en het daaropvolgend debat rond Rachida Lamrabets film Deburkanisation en haar boek Zwijg Allochtoon (dat ik niet gelezen had). Het werd een bijzondere avond die ook vandaag nog zijn sporen nalaat in mijn met info overladen brein.

Lamrabet stelt in haar film Deburkanisation, een bijzonder indringend kunstwerk, de zogenaamde ‘boerkawet’ (het verbod op het dragen van kledij met gezichtsbedekking) in vraag. Het is mijn overtuiging dat in een democratie die het recht op vrije meningsuiting in haar vaandel draagt, kunstenaars aangenomen of door de wet gestelde grenzen in vraag kunnen stellen. Dat liefst zonder repercussie op hun persoonlijke situatie en dagelijks inkomen.

Naar mijn gevoel werd in die avond het probleem van het door de wet begrenzen van kledijnormen wat betreft het zich met die kledij in de publieke ruimte begeven aangekaart. Meer speciaal het dragen van gelaatsbedekking ter bescherming van de persoonlijke intimiteit in onze gemeenschap. Er werd daarbij gesteld dat het dragen van een boerka een vorm van persoonlijke expressie is van de vrouw die dit wil. Ik stel mij daarbij een aantal vragen.

Ten eerste: waarom voel ik mij onzeker bij het zien van iemand die gelaatsbedekking draagt? Wanneer ik iemand ontmoet, wens ik die persoon zoveel mogelijk in zijn eigenheid te herkennen. Daarbij is het kunnen zien van zijn of haar gelaatsexpressie een bijzondere rijkdom. Iemand die zijn of haar gelaat voor mij verborgen houdt, geeft me een gevoel van onvermogen tot gesprek. Dat Lamrabet en haar debatpartners op de avond in de Scala hun gelaat onbedekt hielden, bevorderde voor mij het gevoel van samenzijn in eerbied voor elkaars mening. Iemand die zijn of haar gelaat bedekt houdt, wordt voor mij een geobjectiveerd iemand, ‘iemand zonder gelaat’. Enkel in het theater, op de scene, en tijdens verkleedpartijen (carnaval e.a.) mogen mensen hun gelaat bedekken of maskeren om ‘iemand anders te zijn’, om het personage te worden dat zij spelen. Iemand die mijn medemens wil zijn zonder gelaat verhindert voor mij het samenleven, het elkaars gevoelens lezen, het elkaars gevoelens kunnen kennen, wat voor mij de essentie van communicatie is. De vrouw met gelaatsbedekking in Deburkanisation moest zich trouwens van een computerscherm bedienen om haar boodschap aan ons over te brengen. Zou die vrouw haar boodschap van ‘eerbied voor de moslimgelovige vrouw’ niet krachtiger hebben kunnen overbrengen met haar volle gelaatsexpressie?

Ten tweede: hoe moet de kunstenaar reageren op in de wet vastgelegde kledijvoorschriften? Ik stel vast dat de wetgever betracht te bekomen dat de burger die zich in de publieke ruimte begeeft ‘fatsoenlijk’ gekleed is. Zo verwacht men in kuststeden dat mensen na het in badpak zonnebaden, zich meer bedekken wanneer ze de shoppingstraten aandoen. Zo is het verboden dat nudisten zich naakt in de publieke ruimte begeven. Wie het wel probeert, zal gesanctioneerd worden. Van de kunstenaars verwacht ik dat zij de wettelijk begrenzing van wat ‘fatsoenlijk’ is, wat wenselijk is, niet blauwblauw laten, maar vragen stellen. De wet die gelaatsbedekking verbiedt zowel als de wet die naaktheid verbiedt verdient ‘op scene’ overtreden te worden en in hun statements moeten kunstenaars elke wet in vraag stellen, zonder daarbij te willen dat de wetgever hun advies en hun wensen rechtstreeks in wetten waarmaakt. De kunstenaar moet zich met de grootst mogelijke vrijheid van mening tot de bevolking kunnen richten. Als de bevolking daarbij zo politiek actief is dat zij met hun bevindingen na ‘het bericht van de kunst’ het beleid proberen te beïnvloeden, en liefst daadwerkelijk ook kunnen, dan hebben wij mijns inziens de grootst mogelijke democratie bereikt. Daarvoor moet ten eerste de kunst het volk bereiken, moet ten tweede het volk politiek actief zijn en tertio de beleidsmakers een functioneel contact onderhouden met ‘hun basis’, het volk. Is dit een utopie? Een maatschappij waarbij de kunstenaar rechtstreeks de wetgever beïnvloedt kan ik niet aanvaarden. Dat in een democratie het probleem van een meerderheid tegenover een minderheid zich stelt is onvermijdelijk. Het valt te hopen dat het beleid gevoerd wordt door de meerderheid en dat binnen dat beleid de stem van minderheden invloed mag hebben. Laat ons niet vergeten dat er een grote diversiteit aan minderheden is en dat zij allen hun plek in onze samenleving verdienen. En laat ons daarbij bewust blijven dat het aannemen van de slachtofferrol vaak de noodzakelijke eigen verantwoordelijkheid verdoezelt en het oplossen van een minderheidsproblematiek niet vergemakkelijkt.
 
Goed dat Rachida Lamrabet haar film maakte en haar boek schreef. Goed dat de film kan vertoond worden en het boek gelezen. Goed dat er vragen mogen gesteld worden. Goed dat de medewerkers van de Unie en van Vormingplus die avond met Lamrabet mogelijk maakten. Ik ging met een hoofd vol terug naar huis. Goed dat ik hierover mocht schrijven.

De Gazet